Haarlem is vandaag drukker dan normaal. Voor het eerst dit jaar schijnt een zon die echt warm aanvoelt, maar dat is nu niet de hoofdreden van zoveel mensen op straat. De Grote Markt, het plein in het centrum, waar onder meer de Grote of Sint-Bavokerk staat, staat afgeladen met mensen, jong en oud. In de cafeetjes rondom het plein vloeit het bier rijkelijk. Het bier vloeit omdat Haarlem, nee wat zeg ik, Nederland, iets te vieren heeft: de terugkomst van het Nederlands Olympisch team uit Vancouver. Vandaag worden zij, inclusief een schaatser die zelf niet bepaald kan juichen om zijn gereden Winterspelen, toegejuicht in de schrijversstad.
Ik kijk over de mensenmassa uit. Iedereen lacht, op een paar tieners na, die zo nonchalant mogelijk proberen te kijken. Zonde, die puberteit, niemand is er bij gebaat. Mijn blik gaat langs kleine kinderen op de nekken van hun vaders, met om hun handjes grote wanten waarmee ze druk zwaaien richting een groot podium. Daar staat nog niet Nicolien Sauerbreij, Mark Tuitert of een andere gouddelver. Nee, de kinderen zal het sowieso wel worst wezen wie het snelste met een plank van een berg afdondert.
Veel belangrijker is bijvoorbeeld Jeroen Nieuwenhuize die op het podium staat te gebaren tegen de kinderen dat ze vooral zo hard mogelijk moeten schreeuwen als de sporthelden straks het podium opkomen. Poppenkast. Jeroen had ze ook kunnen vertellen dat als de kindertjes niet hard genoeg juichen, Katrijn en Jan Klaassen niet zullen komen. Het enige verschil is dat Katrijn nu Ireen Wüst heet en Jan Klaassen Sven Kramer. Überhaupt een fijne vergelijking, aangezien Jan Klaassen altijd een beetje als de schlemiel wordt gezien in poppenkastland. Dat Sven daar een aantal minuten later doodongelukkig op het podium staat te lachen als een boer met kiespijn, deert de kinderen niet. Dat zien ze natuurlijk ook niet. Zij zien gewoon Sven Kramer, een bekende kop. Ze zijn gewoon blij dat ze hem zien, en staan niet heel serieus sikkeneurig te wezen omdat hij niet met drie, maar met maar één gouden plak is teruggekomen. Een week eerder nam hij nog de verkeerde wissel op het Canadese ijs. Boos was Sven, en zijn Spelen waren mislukt, zei hij chagrijnig voor de camera. Niet heel gek, als je bedenkt dat hij daar al van kleins af aan voor traint. Zijn gedachten gingen terug naar zijn kinderjaren, en de vele uurtjes die hij op het ijs doorbracht. Een leegte in zijn maag. Is het dan allemaal voor niets geweest?
Vandaag ziet hij lachende kinderen. En weer gaan zijn gedachten terug naar zijn jeugd. Hij bedenkt zich hoe zorgeloos en onbekommerd het leven kan zijn. Hij denkt terug aan de tijd dat hij nog voor zijn plezier een paar schaatsen ombond. Heel even zijn de poppenkasttouwtjes aan Sven’s mondhoeken niet meer nodig. Een echte glimlach verrijst vanaf zijn lippen.
En dus is het ook heel even geen poppenkast meer op het podium. Maar de kinderen blijven juichen, onverminderd hard.