Vogels zijn anders. Vogels hebben veren. En een snavel. Ze eten bessen. Ze kunnen vliegen. Ze vangen muizen. Ze poepen zwart-wit. Ze doen waar ze zin in hebben. En ze zijn quasi-naïef, want ze zijn slimmer dan mensen. Wat in mijn opvatting niet per se veel hoeft te zeggen, aangezien ik mensen zelden slim vind. Ik vind mezelf wel best slim. Dat is omdat ik vogels begrijp. We zitten op dezelfde golflengte. Je hebt mensen (voor zover ik weet alleen mannen) die gefascineerd zijn door vogels. Die vier uur ‘s ochtends met verrekijker het bos in gaan om er een bepaalde gaai te zien lopen. Die mensen zitten allesbehalve op dezelfde golflengte als vogels. Ze proberen vogels te doorgronden, iets wat een vogel nooit zou proberen bij iets of iemand. Een vogel staat daar boven. Een vogel is nergens in geïnteresseerd, want zijn brein is zo ver ontwikkeld dat hij weet dat het geen zin heeft om na te denken. Dat denken de wereld niet gaat veranderen. En belangrijker argument: de wereld hoeft niet te veranderen en daarom zijn alle hersenspinsels tijdverlies omdat ze na je dood waardeloos zijn. Je kunt beter rode bessen eten en zwart-wit poepen. Dat is lekker en daar draait het leven om. Om lekker.
Dit is zó waar. Zó!